route 2007

  • : preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/esteen/ruth-is-onderweg.net/includes/unicode.inc on line 311.
  • : preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/esteen/ruth-is-onderweg.net/includes/unicode.inc on line 311.

Oudenaarde in Oost-Vlaanderen (28.000 inwoners).
Oudenaarde wordt de parel van de Vlaamse Ardennen genoemd. In de middeleeuwen was het een wereldstad omwille van de tapijtnijverheid. Het prachtig stadhuis in Brabantse laat-gotische stijl, werd gebouwd door de Brusselse architect Hendrik van Pede in de jaren 1527-1530, en is meer dan een bezoekje waard. Hier zijn wereldberoemde Verdures te bewonderen, wandtapijten met groene motieven. Op de officiële website van de stad kan men een interessante studie van de tapijten en hun restauratie bekijken. De fontein vóór het stadhuis is een overblijfsel uit de periode van de Franse overheersing. Ze werd in opdracht van Louis XIV gebouwd, teneinde de soldaten toe te laten hun paarden water te geven. De fontein werkt nog steeds.

Doornik, hoofdstad van Henegouwen (68.000 inwoners).
Deze stad telt 68.000 inwoners en geldt nog steeds als één van de voornaamste monumentensteden van België. Zeer belangrijk is de Onze-Lieve-Vrouw kathedraal in Romaanse stijl. Ze valt al van ver op door de vijf even hoge torens en werd in 2000 op de lijst van werelderfgoed geplaatst. Doornik is ook bekend omwille van zijn Romeinse brug over de Schelde, het oudste Belfort van België en een lakenhal, beide op de Grote Markt.

Cambrai in Nord-Pas-de-Calais (35.000 inwoners).
De stad behoorde oorspronkelijk tot het graafschap Vlaanderen. Belangrijk is de kathedraal die ooit het “Wonder der Nederlanden” werd genoemd.

Saint Quentin in Picardië (65.000 inwoners).
Ligt op een druk bevaren kanaal dat de Somme met de Schelde verbindt. Werd volledig verwoest op het einde van de 1ste wereldoorlog. De basiliek is het enige belangrijke monument dat deze stad rijk is. Het is een lompe kerk uit zowat alle bouwperiodes en evenveel restauraties. Binnenin valt zijn grootsheid op door zijn lengte van 130 meter.
St. Quentin is een belangrijk winkelcentrum. Het heeft een aantal autoluwe shoppingstraten. Het stadhuis bleef vrij goed gespaard van het oorlogsgeweld en doet erg Vlaams aan.

Compiègne in Val d’Oise (44.000 inwoners).
Het is bekend door een fraai kasteel, en door het uitgestrekte bos “Forêt de Compiègne”. In dit bos stond een treinwagon waar op 11 november 1918 de wapenstilstand gesloten werd tussen de Duitsers en de Franse maarschalk Ferdinand Foch. Daarmee kwam een einde aan de 1ste wereldoorlog. Ironisch genoeg gaven de Fransen zich op dezelfde plek over aan Duitsland op 22 juni 1940 aan het begin van de 2de wereldoorlog. De Eglise St.-Jacques, 100 meter rechts van het stadhuis, bewijst dat deze stad al van oudsher een halte is aan de pelgrimsweg naar Santiago. Het koor uit de 13e eeuw is het meest indrukwekkende gedeelte van deze kerk.

Clermont in Val d’Oise.
Is van oorsprong een middeleeuwse vestingstad, gebouwd rond een statige constructie die nog duidelijk doet denken aan een versterkt kasteel. Sinds de 19de eeuw vervult het de functie van stadhuis. De stad is in 1944 zwaar gebombardeerd. La place Corroyer is het symbool van het toenmalig verzet. Clermont is voor 1/3de geklasseerd. Ongeveer 10.000 inwoners wonen in dit stadsdeel en profiteren van dit beschermd historisch kader.

Chartres in Eure-et-Loir (87.000 inwoners).
Een bedevaartsoord met één van de mooiste kathedralen in Frankrijk. De Notre Dame staat op een heuvel en is reeds van ver te zien. De kathedraal is o.a. bekend door de prachtige gebrandschilderde ramen, vooral het noordelijk roosvenster. De oude westkant met het voorportaal is Romaans, het middenschip is vroeg gotisch en is langs buiten gesteund door zware luchtbogen en steunberen. Het koningsportaal bevat beelden van de Griekse wetenschappers Pythagoras, Euclides en Aristoteles en figuren uit de vrije kunsten zoals muziek, astronomie, reken- en meetkunde. Tevens zijn ook de 4 evangelisten afgebeeld.
De binnenstad is gekenmerkt door historische en gezellig smalle steegjes.
Hier is een “Association des Amis de Saint Jacques”. Pelgrims uit de 4 windstreken kunnen hier elkaar ontmoeten en ervaringen uitwisselen. De jeugdherberg Saint Prest is op 5 minuten gelegen van het historisch hart van de stad en heeft 70 bedden.

Châteaudun in Eure-et-Loir (15.000 inwoners).
Een oude middeleeuwse stad, gedomineerd door een enorm kasteel op kalkrotsen gebouwd. De goed bewaarde donjon dateert uit de 12de eeuw, andere delen hebben renaissance structuren. De middeleeuwse straatjes in de binnenstad getuigen van een voorspoedig verleden. Het “Musée des Beaux Arts et d’Histoire Naturelle” bevat collecties uit Azië en Egypte en zalen met verzamelingen uit de ornithologie en archeologie.
Hier is tevens een ontmoetingsplaats van de “Association des Amis de Saint Jacques”. De gîte “Les grands Moulins” heeft 19 bedden en is gevestigd in de rue des Fouleries.

Vendôme in Loir-et-Cher (30.000 inwoners).
De eerste kennismaking met deze “Ville-Jardin” gebeurt het best vanop de trappen van het kasteel van de familie Bourbon-Vendôme. Het panorama is een groen schilderij met in het midden de kerk van de Drievuldigheid, een meesterwerk in flamboyante gotiek. De architect was één van de architecten van de kathedraal van Chartres.
Op de “Place Saint-Martin” zijn gezellige terrasjes, bewaakt door het standbeeld van Rochambeau, een held uit de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog.
In het park “Ronsard” en het park rond het kasteel is het aangenaam toeven en kan je terug op adem komen. Hier staat een standbeeld van Honoré de Balzac.

Cloyes-sur-le-Loire in Eure-et-Loir (2700 inwoners).
Ik vermeld dit stadje omdat in de parochiale kerk een stenen standbeeld in polychroon staat van Sint Jacob uit de 13de eeuw en een houten christusbeeld uit de 16de eeuw.

Tours in Indre-et-Loire (133.000 inwoners).
Dit is het eindpunt van het 1ste deel van de Camino in Frankrijk en zijn er ongeveer 750 km afgelegd.
In de 4de eeuw was dit een Romeinse legioenstad. In “A la Pucelle armée” in de hoofdstraat rue Colbert zou Jeanne d’Arc in 1429 haar wapenrusting hebben laten maken.
De kathedraal St. Gatien werd gebouwd van de 13de tot de 16de eeuw. Het koor is vroeg gotisch, het schip hoog gotisch, en de voorgevel is gebouwd in flamboyant-gotische stijl. De twee torens begon men in Romaanse stijl, ze werden later verder gezet in gotische stijl, en afgewerkt in renaissance stijl. Desondanks is de St. Gatien bijzonder harmonieus. De St. Gatien is beroemd om zijn ramen en roosvenster. De Place Plumereau is een buitengewoon gezellig plein met gerestaureerde gevels. De stad telt verschillende musea zoals het Musée des Beaux Arts, het Musée de Compagnonnage (Gildewezen), het Musée des Vins de Touraine.

Châtellerault in Vienne (35.000 inwoners).
Burggraaf Ayraud liet hier in de 10de eeuw een kasteel bouwen. Sinds de middeleeuwen is deze stad een belangrijke etappeplaats op de pelgrimsroute naar Compostela. De Eglise St. Jacques (12de en 13de eeuw) heeft nog haar oorspronkelijke transept en koorsluiting; het schip heeft een gotisch kruisribgewelf. De Pont Henri-IV werd gebouwd tussen 1575 en 1611.
In deze universiteitstad heeft René Descartes zijn jeugd doorgebracht (Maison Descartes).
In de 19de eeuw werd hier een wapenfabriek La Manufacture d’Armes (la “Manu”) opgericht aan de oevers van de Vienne. Toen werkten er 700 arbeiders. Een eeuw later verdienen er zo’n 8000 mensen hun dagelijks brood.

Saint-Jean-d’Angély in Charente Maritime (7500 inwoners).
Een vredig stadje aan de Boutonne dat ontstond rond een abdij die werd opgericht tijdens het bewind van Karel de Grote. De abdij won aan belang rond 1020 onder impuls van de paters benediktijnen van Cluny en werd een belangrijke etappe op de pelgrimsroute naar Compostela. Tot in de 17de eeuw viel het regelmatig ten prooi aan vele (godsdienst)oorlogen.
Le vin de Saint Jean d’Angély is het vermelden waard.

Saintes in Charente Maritime (7500 inwoners).
De roze daken van het oude stadscentrum van Saintes liggen trapsgewijze tegen de oever van de vredige Charente. Zij verbergen ommuurde tuintjes en door platanen overschaduwde binnenplaatsjes. In de middeleeuwen werd Saintes een belangrijke pleisterplaats langs de weg naar Compostela met de Saint Eutrope, een parel van Romaanse kunst die in vroegere tijden een belangrijk centrum was van het geestelijke en culturele leven en behoort tot het werelderfgoed. Met de “Abbaye aux Dames” bereikt de Romaanse kunst hier een absoluut hoogtepunt. In deze “Ville Fleurie” is het groen overal aanwezig. Het Musée de Cognac is er gevestigd.

Vanaf hier volg ik tot in Dax een kleinere zijtak van de echte pelgrimsroute.

Royan in Charente Maritime (17.000 inwoners).
Een Gallisch-Romeinse vesting aan de monding van de Gironde in de Atlantische Oceaan.
Het is in de zomer een drukke badstad. Specialiteiten zijn de oesters en de santons, beeldjes in geschilderde gebakken klei.

In Royan neem ik de ferry over de Gironde (duurtijd ongeveer een half uur) naar Soulac-sur-Mer en volg de Atlantische kustlijn tot Lège-Cap-ferret. Een stukje pollenvrije route aan zee zal mij deugd doen. Vervolgens fiets ik over Biganos en Labouheyre naar Dax.

Dax in de Landes (22.000 inwoners).
Dax is gelegen temidden van de dennenbossen, op 30 km van de oceaan. In het zuiden lonken reeds de Pyreneeën. Dax is een toeristisch kuuroord waar het aangenaam flaneren is op de promenade aan de Adour. In de warmwaterbronnen zijn radioactieve algen aanwezig die een heilzame werking hebben bij de behandeling van reuma. Te vermelden is de triomfboog ter ere van Lodewijk XIV. Dax is de geboorteplaats van Vincent de Paul (1581-1660). Hij stichtte o.a. Les Filles de la Charité, een religieuse congregatie die binnen de Rooms-katholieke kerk nog altijd zeer belangrijk is. In 1737 werd hij heilig verklaard door paus Leo XIII.

Sorde-l’Abbaye in de Landes (600 inwoners).
Een kleine site gelegen aan de Gave d’Oleron met een zeer belangrijk historisch patrimonium. Hier is een belangrijke abdij van de benediktijnen uit 11de eeuw, door de Unesco geklasseerd als werelderfgoed. Ze is gebouwd boven op Romeinse thermen uit de 3de eeuw. Bekend zijn de mozaïeken van Sorde en een Gallo-Romeinse villa.

Saint-Palais in de Landes (2000 inwoners).
We merken duidelijk dat we in Baskenland aangekomen zijn : hier wordt veel het balspel Pelote gespeeld. Het stadje behoorde vroeger tot Basse-Navarre. Daarvan getuigt het gelijknamig Musée Basse-Navarre. In de middeleeuwen was Basse-Navarre onderdeel van het koninkrijk Navarra in Spanje. Pas in 1620 is het een provincie van Frankrijk geworden.

Saint-Jean-pied-de-Port in de Pyrénées-Atlantiques (1650 inwoners).
Dit is het eindpunt van het 2de deel van de Camino in Frankrijk. Er zijn ongeveer 1400 km afgelegd.
Een schilderachtig middeleeuws vestingstadje aan het riviertje de Nive vlakbij de Spaanse grens. De huidige vestingmuren dateren uit de 17de en 18de eeuw. Saint-Jean-Pied-de-Port (Donibane Garazi in het Baskisch) is de hoofdstad van Basse-Navarre, één van de drie Baskische provincies in Frankrijk. Bezienswaardigheden zijn onder meer de Porte de Saint-Jacques, de rue de la Citadelle met het Prison des Évêques (dat een eenvoudig museum over de Camino de Santiago huisvestigt), de oude stadsbrug over de Nive, een Romeinse brug, en de citadel uit de 17de eeuw.
Vanaf de wallen heb je een prachtig uitzicht over het dal van de Nive en de omringende heuvels en bergen. De Unesco heeft in 1998 de Porte de Saint-Jacques, als onderdeel van de Franse "chemins de Saint-Jacques" tot werelderfgoed verklaard.

Saint-Jean-pied-de-Port is de laatste etapeplaats in Frankrijk vooralleer de Pyreneeën naar Spanje over te steken over de col d’Ibaneta naar Roncevalles. Het is aangeraden, schijnt het, de fietsbanden en vooral de remmen te kontroleren alvorens aan het echte klimwerk te beginnen. Achter Roncevalles ligt de eerste scherpe afdaling te wachten.

Roncevalles aan de Alto Ibaneta (1057 m).
De route over Roncevalles bestond al in de Romeinse tijd en ook Napoleon gebruikte deze route in 1813 tijdens de aftocht uit Spanje. Het is een kale winderige plek waar een abdij staat uit de 13de eeuw. De kerk is van binnen vrij sober en de blik gaat naar het beeld van de Virgen de Roncevalles. De gebouwen van het abdij staan er verlaten en treurig bij. In de Capella de Sancti Spiritus liggen de pelgrims begraven die na de klim van uitputting in de abdij stierven.
Roncevalles is onvermijdelijk verbonden met het beroemde Roelandslied. Karel de Grote was druk bezig zijn wereldrijk te vormen en het christendom was nog lang niet overal verspreid. Eén van de meest christelijke landen in die tijd was Ierland en Karel de Grote liet dan ook klerken en missionarissen uit Ierse en Engelse kloosters komen om hier het christendom te verbreiden. Het Frankische leger lijdt echter in 778 een nederlaag tegen de Saracenen in Roncevalles. Ridder graaf Roeland, neef van Karel de Grote, sterft in de strijd. Deze dramatische gebeurtenis leefde voort in het Roelandslied: het trieste verslag van de laatste dappere daden van deze voorbeeldige ridder. Dit lied was de hele middeleeuwen lang een tophit en werd tijdens lange, donkere winteravonden gezongen voor een publiek van ridders en andere ijzervreters.

Aan de uitgang van het stadje staat een groot kruis in een grasveld. Naar het voorbeeld van Karel de Grote leggen veel pelgrims hier een zelfgemaakt kruisje neer van 2 stokjes aan elkaar vastgebonden met wat grashelmen. Vertrouw alle zware lasten toe aan Hem en je zult “bevrijd” worden.

Op weg naar Pamplona rijden we door Puenta la Reina. Hier komen verschillende routes samen. De route uit Arles over de Col de Somport, de route over Vézelay en “mijn” route over Tours. Hier staat reeds van in de 11de eeuw een brug die speciaal voor de pelgrims werd gebouwd: de “Brug van de Koningin” (Puenta la Reina in het Spaans).

Pamplona in de provincie Navarra (180.000 inwoners, 500m).
Is genoemd naar de Romeinse veldheer Pompeius (Irunea in het Baskisch). Pamlona is de hoofdstad van Navarra en ligt aan de río Arga. De gotische basiliek La Catedral de Santa María la Real (15de eeuw) is één van de blikvangers. Pamplona is vooral bekend door de jaarlijkse stierenrennen tussen 6 en 14 juli ter ere van San Firmín de patroonheilige van de stad. In een parkje aan de Plaza de Torres staat een buste van Ernest Hemingway. Met zijn boek “The sun also rises Pamplona” maakte hij de feesten van San Firmín wereldberoemd.

Logrono in de provincie La Rioja (133.000 inwoners, 400 m).
Deze chique stad met brede boulevards en statige huizen ligt op de rechteroever van de Ebro. De Paseo de Espolón is de belangrijkste ontmoetingsplaats in de binnenstad. Deze wordt overschaduwd door de 2 torens van de Catedral de la Redonda aan de Plaza del Mucado. De kathedraal bevat een hele reeks belangrijke kunstwerken zoals een schilderij met de Kruisiging van Michelangelo.

Na een klimpartij over San Juan de Ortega (1000 m) dalen we af richting Burgos.

Burgos in de provincie Burgos (170.000 inwoners, 850 m).
Het “hart van Castilië” is de provinciehoofdstad van Burgos en op een hoogplateau gelegen.
De stad werd gesticht rond 850 en was reeds de hoofdstad van het Castilië in de 11de eeuw onder Ferdinant I. Onder generaal Franco fungeerde deze als belangrijke garnizoenstad tijdens de Spaanse burgeroorlog (1936-1939).
Burgos is een belangrijk handels- en toeristencentrum. De stad staat bekend om de opmerkelijke architectuur en grote historische traditie. Het opmerkelijkste bouwwerk is de gotische Catedral de Santa María (13de eeuw) in witte kalksteen met zijn pompeuze torens en het enorme roosvenster. In deze “koningstad” ligt El Cid ligt begraven, een Spaanse edelman die op zijn ééntje in 1094 de Moren versloeg en Valencia heroverde. Hierdoor werd hij de inspiratiebron van veel schrijvers o.a. Corneille. Andere oriëntatiepunten zijn het kasteel, boven op een heuvel, van waaruit men de stad kan overzien, de gotische kerk van San Esteban en de Arco de Santa María, een stadspoort uit de 16de eeuw ter ere van Karel V.

Tussen Burgos en Léon ligt over een afstand van 200 km de “Meseta”, een opeenvolging van geelgetinte velden en landerijen zover het oog reiken kan. Nauwelijks een boom die wat schaduw afgeeft. Het kan hier broeierig heet zijn zoals in de woestijn. De hardheid van de schrale eindeloze stoppelvelden, 800 m hoog, vanaf Castrojeriz over Frómista, villalcazar de Sirga, Cervatos de la Cueza, Ledigos en Sahagun verplichten je te relativeren tot het meest essentiële. Verlaat ik gelouterd dit “niemandsland”?

Léon in de provincie Léon (493.000 inwoners, 850 m).
De voornaamste schat van León is de gotische kathedraal, met haar indrukwekkende glas-in-loodramen. De stad telt een hele reeks monumentale gebouwen. De romaanse Real Colegiata de San Isidoro, waar het Koninklijke Panteon zich bevindt, een mausoleum waar de leden van de Koninklijke Familie van het middeleeuwse Koninkrijk León waren begraven. Niet te vergeten is het neogotische Botines Huis, een vroeg werk van de Catalaanse architect Antonio Gaudí. Het is tegenwoordig het hoofdkantoor van Caja España, een Spaanse bank.
In de oudste wijk van de stad zijn nog delen van de middeleeuwse stadswal te bewonderen en enkele restanten van de oorspronkelijke Romeinse wal. De Plaza del Grano (Graanplein) is absoluut een bezoekje waard.
Ieder jaar wordt in Léon de Santa Semana en Pasen met een indrukwekkende processie gevierd. Tegelijkertijd kan men van een heidense processie genieten ter gedenkenis van de begraving van Genarín. Hij was een arme en zeer bekende en drinkende burger die overreden werd door de eerste vuilniswagen van de stad. Deze processie is een tocht door de stad met veel orujo (een likeur op basis van druiven) tot aan de de stadswal waar Genarín vermoedelijk is overleden. Daar laat men wat kaas, een fles orujo en twee sinaasappels achter ter zijn ere.

Astorga in de provincie Léon (12.000 inwoners, 850 m).
Onder de Romeinse tijd was dit een belangrijk kruispunt van grote wegen op het Iberisch schiereiland. Een deel van de Romeinse stadsmuur is nog intact en aan de oostzijde van de stad is een moderne overkapping om de Romeinse fundamenten en mozaïeken te beschermen. Opvallend bouwwerk is het Palacio Episcopal ontworpen door Gaudí. Na problemen met de kerkelijke overheid werd het pas voltooid in 1893 door Ricardo Guereta. Schuin tegenover het paleis staat de Catedral de Santa Mariá in verschillende bouwstijlen.

Tussen Astorga en Ponferada liggen de Montes de Léon, een woest en ruig gebergte dat tot diep in het voorjaar met sneeuw bedekt kan liggen. Op 1504 m staat het befaamde Cruz de Ferro, een metalen kruis op een lange paal temidden van een hoop keien en stenen. De traditie wil dat elke pelgrim er een steentje, van thuis meegebracht, als een symbool neerlegt. Hier neemt de pelgrim afstand van alle miserie en ellende in het voorbije leven en begint vol vertrouwen en hoopvol aan een nieuw leven. Hier wil ik al mijn pijn, al mijn falen achterlaten. Het Cruz de Ferro is het dak van de Camino. Er volgt nu een adembenemende afdaling met spectaculaire landschappen.

Ponferrada in de provincie Léon (60.000 inwoners, 500 m).
Een industriestad aan de oever van de rió Sil, omringd door hoge afvalbergen van de koolmijnen. De ruines van het Castello de los Templarios is een overblijfsel van de militair-religieuse ridderorde van de Tempeliers in de middeleeuwen. Toen de orde al te veel macht verwierf, werd ze in 1312 op aandringen van koning Filips II door paus ClemensV geëxcommuniceerd.

Villa Franca del Bierzo in de provincie Lugo (4.000 inwoners, 450 m).
De fraaiste stad is de Calle del Agua omzoomd met stadspaleizen, kerken en kloosters alom.
Pelgrims die door de zware tocht door het gebergte uitgeput en ziek waren, konden hier dezelfde kwijtschelding van hun zonden bekomen als in Santiago de Compostela. Daarvoor moesten ze door de Porta del Perdón (poort van de vergiffenis) gaan, ingang van de Iglesia de Santiago.

Nu volgt een fikse 30 km lange klim “als penitentie voor alle zonden die je tijdens dit leven hebt begaan”. Deze klim naar O Cobreiro nabij de Punto de Pedrafita (1099 m) is te vergelijken met de Roelandspas over de Pyreneeën. O Cebreiro is een klein bergdorpje bestaande uit een kerk, een hostal en enkele huizen. Achter O Cebreiro moeten we nog één keer een bergtop bedwingen, de Puerto el Poyo (1337 m). Na de pas slingert de Camino zich door een groen heuvelachtig landschap dalend naar Triacastela (700 m), een dorp met een enorm Monasterio de San Julián.
We zijn in Galicië aangekomen, een autonome regio, gelegen in de noord-westhoek van Spanje met in elke windstreek een stad: La Coruna, Pontevedra, Ourense en Lugo. Door de gemeenschappelijke geschiedenis met Ierland, Bretagne en Wales bestaan er nog veel tradities met Keltische achtergronden: liefde voor de (doedelzak)muziek, fascinatie voor de dood, neiging tot somberheid en nostalgie.

Pedrafita do Cebreiro (2100 inwoners).
Het lijkt echt op een grensdorp, alleen de slagboom ontbreekt. Dagjesmensen slenteren hier langs marktkraampjes met groente en fruit, kledij en souvenirs. Een Galicische bank maakt ons duidelijk dat we in Galicië zijn. Veel mensen komen hier genieten van een bord pulpo, dit zijn gaar gekookte octopussen die in stukken geknipt, opgediend worden op een houten plank. Liefst met een glaasje rode wijn.

Lugo in de provincie Lugo (82.000 inwoners).
Ligt niet echt op de route maar is misschien een ommetje waard.
Deze hoofdstad is vermaard omwille van zijn 2140 m lange Romeinse stadsmuur. Ze is nog geheel intact en slechts door een aantal poorten toegankelijk. Binnen de muren ontdek je een autoluwe binnenstad met de Praza Maior, een breed plein met het stadhuis en een uitnodigende fontein. De bouw van de Catedral de Santa María heeft 6 eeuwen geduurd en is een mengeling van Romaanse, gotische en barokke stijlen. Aan de oever van de rió Mino zijn zwavelrijke Romeinse thermen die nog steeds in gebruik zijn als geneeskrachtige kuurbaden.

Santiago de Compostela in de provincie Coruna (90.000 inwoners, 200 m), eindpunt van de Camino.
De stad en de 3 torens van de kathedraal met het graf van Sint Jacobus, het lang verwachte doel, kan je voor het eerst zien liggen vanaf de Monte do Gozo “berg van de vreugde”. Renaissance, barok, moderne architectuur, het is in Santiago allemaal aanwezig. Het regent hier nogal dikwijls want de meeste mensen hebben een paraplu bij zich. Galicië wordt niet voor niets het “groene Spanje” genoemd. De niet al te grote binnenstad is een zeer sfeervol oord door de opeenhoping van smalle straatjes, kapellen, trappen, bars, eethuizen kriskras door elkaar.
Het hart van de stad is de Praza do Obradoiro met de kathedraal. Iedereen probeert hier zich te laten fotograferen. Het beroemde Pórtico de la Gloria is een hoogtepunt van Romaanse beeldhouwkunst in Spanje. Op de middenste zuil zetelt Santiago en onder hem is de “Boom van Jesse” (of Levensboom) afgebeeld. Iedere pelgrim legt zijn of haar hand in de diep als een wonde uitgesleten “hand” van Jacobus, als een gebaar van verzoening en vriendschap. Het graf van Jacobus bevindt zich in de crypte, precies op de plaats waar het graf in de 8ste eeuw werd ontdekt. Hier kan ik de meegebrachte intenties, wensen en bedankingen achterlaten.
Aan de noordzijde van het plein is het zeer grote Hospital Real neergezet door Ferdinand van Aragon als herberg en opvangplaats voor de pelgrims. Nu is het een luxe hotel onder de naam “Hotel dos Reis Católicos” en maakt deel uit van de parador-keten.
Achter de Catedral ligt de Praza da Quintana, dat vooral gebruikt wordt voor kulturele manifestaties, of voor afspraakjes, of voor een zonnebad.
Het Museo das Peregrinacións aan de Praza de San Martino staat helemaal in het teken van de pelgrimsroute.

Veel pelgrims zetten de tocht “nog eventjes” 120 km verder tot Cabo Fisterra, het meest westelijke punt van Galicië op 9° westerlengte en 43° noorderbreedte. Fisterra komt van” finis terrae”, het einde van de wereld. Een dorpje met 3000 inwoners en enkele mooie stranden. Tot de Spanjaarden en Portugezen in de 15de eeuw met hun ontdekkingsreizen begonnen, dacht men dat de wereld plat was. Voor de Kelten, Romeinen, Goten en Castilanen was de Cabo het einde van de wereld. Een plaats van vrees voor de ontstuimige zee aan de Costa de Morte, een plaats van hoop op een behouden thuiskomst.

Of we het nu graag horen of niet, tijdens dit voorbereidingswerk heb ik moeten vaststellen (wat ik eigenlijk al langer wist) dat de wortels van onze Europese cultuur ontegensprekelijk verweven zijn met het christendom en de beleving ervan.

Om de terugkeer in ons jachtige en drukke bestaan niet al te bruusk te ervaren, raden sommigen aan om enkele fietsdagen terug te voorzien, bijvoorbeeld vanaf de Belgische grens.
Ik ben van plan mijn fiets naar huis te laten terug brengen door iemand uit Wallonië die op geregelde tijdstippen voor het Genootschap van Compostela fietsen ter plekke afhaalt. Zelf kom ik terug met de trein of het vliegtuig zoals het mij op het ogenblik het best uitkomt. Het zal dan eind augustus zijn.